Schola Catharina



3e Zondag van de Veertigdagentijd

Introitus (Ps. 24, 15-16)
Oculi mei semper ad Dominum, quia ipse evellet de laqueo pedes meos: Mijn ogen zijn steeds op de Heer gericht: Hij zal mijn voeten uit de strik bevrijden.
respice in me, et miserere mei, quoniam unicus et pauper sum ego. Zie naar mij om en wees mij genadig, want eenzaam ben ik en hulpeloos.
Tussenzang (Ps. 24. 1, 2):
Ad te Domine levavi animan meam: Deus meus, in te confido, non erubescam. Tot U, Heer, heb ik mijn ziel verheven: mijn God op U vertrouw ik, ik zal niet worden beschaamd.
Graduale (Ps. 9, 20.4)
Exsurge Domine, non praevaleat homo: iudicentur gentes in conspectu tuo. Sta op, Heer, laat de mens niet overwinnen; laat de volkeren geoordeeld worden voor uw aanschijn.
In convertendo inimicum meum retrorsum, infirmabuntur, et peribunt a facie tua. Als mijn vijanden terugdeinzen, zullen zij struikelen en omkomen voor uw aangezicht.
Tractus (Ps. 122, 1-3)
Ad te levavi oculos meos, qui habitas in caelis. Tot U heb ik mijn ogen geheven, die in de hemelen woont.
Tractus (Ps. 122, 1-3)
Ecce sicut oculi servorum in manibus dominorum suorum. Zie, als de ogen van knechten op de handen van hun meesters.
Tractus (Ps. 122, 1-3)
Et sicut oculi ancillae in manibus dominae suae. En als de ogen van een dienstmaagd op de handen van haar meesteres.
Tractus (Ps. 122, 1-3)
Ita oculi nostri ad Dominum Deum nostrum, donec misereatur nostri. Zo zijn onze ogen gericht op de Heer onze God, totdat Hij zich over ons ontfermt.
Tractus (Ps. 122, 1-3)
Miserere nobis Domine, miserere nobis. Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons.
Offertorium (Ps. 18, 9-12)
Iustitiae Domini rectae, laetificantes corda, et dulciora super mel et favum: nam et servus tuus custodiet ea. De geboden van de Heer zijn recht, een vreugde voor het hart, en zoeter dan honing en honingzeem; uw dienaar zal zich dan ook eraan houden.
Communio (Joh. 4, 13-14)
Qui biberit aquam, quam ego do, dicit Dominus Samaritanae, fiet in eo fons aquae salientis in vitam aeternam. Wie van het water drinkt dat Ik u geef, zegt de Heer tot de Samaritaanse, bezit een bron die vloeien blijft tot eeuwig leven.
Tussenzang (Is. 12.1):
Confitebor tibi, Domine, quoniam iratus iras mihi, conversus est furor tuus, et consolatus es me. Ik loof u, Heer, hoewel u toornig was op mij, heeft uw toorn zich bedaard, en Gij hebt mij getroost.
Communio (Ps. 83, 4-5)
Passer invenit sibi domum, et turtur nidum, ubi reponat pullos suos: De mus weet een schuilplaats te vinden, de zwaluw een nest voor haar jongen.
altaria tua, Domine virtutum, Rex meus et Deus meus: beati qui habitant in domo tua, in saeculum saeculi laudabunt te. Ik mag verblijven bij uw altaar, Heer der hemelmachten, mijn Koning en mijn God. Gelukkig zij die wonen in uw huis, eeuwig zullen zij U prijzen.
Tussenzang (Ps. 83.2-3a):
Quam dilecta tabernacula tua, Domine virtutum. Concupiscit et deficit anima mea in atria Domini. Hoe verrukkelijk zijn uw woningen, Heer van de hemelse machten. Mijn ziel begeert en verlangt naar de voorhoven van de Heer.