Schola Catharina



12e Zondag na Pinksteren

Introitus (Ps. 69, 2-3)
Deus in adiutorium meum intende: Domine ad adiuvandum me festina: confundantur et reve-reantur inimici mei, qui quaerunt animam meam. God, kom mij te hulp; Heer, haast U mij te helpen. Mogen ze in verwarring raken en vervuld worden van vrees, mijn vijanden die mijn ziel opeisen.
Tussenzang (Ps. 69.4):
Avertantur retrorsum et erubescant, qui volunt mihi mala. Laat hen de aftocht blazen en beschaamd doen staan, alwie mij kwaad wilden berokkenen.
Graduale (Ps. 33, 2.3)
Benedicam Dominum in omni tempore: semper laus eius in ore meo. In Domino laudabitur anima mea: audiant mansueti, et laetentur. Prijzen zal ik de Heer te allen tijde; steeds is zijn lof in mijn mond. In de Heer zal mijn ziel roemen; laat de zachtmoedigen het horen en zich verheugen.
Alleluia (Ps. 87, 2)
Alleluia. Domine Deus salutis meae, in die clamavi, et nocte coram te. Alleluia. Alleluia. Heer, God van mijn heil, overdag heb ik geroepen, en 's nachts ben ik bij U. Alleluia.
Offertorium (Vgl. Ex. 32, 11-15)
Precatus est Moyses in conspectu Domini Dei sui, et dixit. Quare, Domine, irasceris in populo tuo? Parce irae animae tuae: memento Abraham, Isaac et Iacob, quibus iurasti dare terram fluentem lac et mel. Et placatus factus est Dominus de malignitate, quam dixit facere populo suo. Mozes bad voor het aanschijn van de Heer, zijn God, en zei: Waarom, Heer, zijt Gij vertoornd op uw volk? Spaar de woede van Uw ziel: gedenk Abraham, Izaak en Jakob, aan wie Gij gezworen hebt het land te geven, dat overvloeit van melk en honing. En de Heer liet zich verbidden en zag af van het onheil, waarmee Hij zijn volk had bedreigd.